Bij verdenking van bloed- en lymfeklierkanker wordt vaak een lymfeklierbiopsie of een beenmergonderzoek gedaan.
Een arts kan vragen een beetje van het lichaamseigen materiaal (bloed, beenmerg, lymfeklierweefsel) af te staan aan een biobank.
Lymfeklierbiopsie
Voor het stellen van de diagnose lymfeklierkanker is weefselonderzoek nodig. Een punctie van de lymfeklier geeft te weinig informatie. Voor het beoordelen van de cellen en de structuur van de klier is een flink stuk weefsel uit die lymfeklier (incisiebiopsie) nodig, of de verwijdering van de hele lymfeklier (excisiebiopsie).
In je lichaam zitten heel veel lymfeklieren. Sommige liggen dicht onder het huidoppervlak en kun je zelfs gemakkelijk met je vingers voelen. Onderzoek van deze lymfeklieren is gemakkelijker dan van een dieper gelegen lymfeklier. Hoe verloopt zo’n biopsie of verwijdering?
Het onderzoek
Tijdens het onderzoek lig je op een onderzoekstafel.
De huid op de plaats van de biopsie wordt verdoofd. Bij dieper gelegen klieren kan een gehele narcose noodzakelijk zijn.
De huid wordt gereinigd.
De chirurg maakt een kleine snee in de huid boven de lymfeklier.
De lymfeklier wordt verwijderd of er wordt een flinke hap uit weggesneden.
De huidwond wordt gesloten met enkele hechtingen.
Het onderzoek duurt ongeveer 30 minuten. Na het onderzoek kun je meestal meteen weer naar huis. Er zitten weinig risico’s aan dit onderzoek. Soms houd je er een blauwe plek aan over. Ook kan de wond infecteren. Soms is er tijdelijk een doof gevoel van de huid bij het litteken.
Meestal krijg je het advies 24 uur de wond niet nat te laten worden en 2 dagen niet te sporten of zwaar te tillen. Vraag altijd wat je wel en wat je beter niet kan doen.
Dikke-naald-biopt
Als lymfeklieren niet goed bereikbaar zijn voor een verwijdering of een biopt, dan kan met een dikke naald op geleide van echo of CT een biopt worden genomen. En soms moet er een kijkoperatie aan te pas komen om weefsel te verzamelen.
Uitslag
In het laboratorium bekijkt een patholoog het biopt. De uitslag duurt enkele dagen tot enkele weken en krijg je van je behandelend arts.
Beenmergpunctie of biopt
Als je hematoloog voor de diagnose je beenmergcellen wil bekijken, is een beenmergpunctie of een biopt nodig.
Beenmergpunctie; met een holle naald zuigt een arts beenmergvloeistof op uit je bekken of borstbeen. Deze vloeistof wordt beenmergaspiraat genoemd.
Bij een beenmergbiopt neemt de arts een stukje bot weg uit het bekken. Dit noemen we een biopt.
Het onderzoek
In veel ziekenhuizen is een speciaal poliklinisch spreekuur voor beenmergafnames. Een verpleegkundige ontvangt je en leidt je door het onderzoek. De afname wordt gedaan door een specialist. Na een plaatselijke verdoving, die snel werkt, wordt het beenmerg vanuit je borstbeen of bekken verzameld. Na het onderzoek kun je meestal meteen naar huis.
Afname beenmergvloeistof
De specialist brengt een holle naald naar binnen in je bekken of borstbeen om losse beenmergcellen op te zuigen. Het opzuigen van het beenmerg voelt vervelend, maar duurt slechts enkele seconden. De opgezogen vloeistof ziet eruit als bloed.
Biopsie van het beenmerg
Een biopt wordt genomen uit het bekken. Vaak doet men dat onmiddellijk na de beenmergpunctie. De arts maakt, na het inbrengen van een naald, een draaiende (borende) beweging. Dit duurt een paar minuten en kan een drukkend gevoel geven. Het biopt is een heel klein pijpje bot met beenmergcellen.
Uitslag
In het laboratorium bekijkt een patholoog de beenmergcellen en het biopt.
De uitslag duurt enkele dagen tot enkele weken en krijg je van je behandelend arts.
Veelgestelde vragen
Een beenmergpunctie wordt gedaan met een plaatselijke verdoving. Het geven van de verdoving kan even gevoelig zijn. Daarnaast kan het opzuigen van het beenmerg toch nog kortdurend een vervelend gevoel geven.
KWF Kankerbestrijding heeft onlangs zijn standpunt ten aanzien van cannabis(olie) gepubliceerd: ‘Volgens het Bureau voor Medicinale Cannabis (de overheidsorganisatie die verantwoordelijk is voor de productie van cannabis voor medicinale doeleinden) zijn er voldoende wetenschappelijke gegevens die aantonen dat cannabis onder andere werkzaam is bij:
pijn bij kanker, multiple sclerose, reumatische artritis en chronische darmontsteking;
misselijkheid, verminderde eetlust, vermagering en verzwakking bij kanker en aids;
misselijkheid en braken als gevolg van medicatie of bestraling bij kanker, hiv en aids.
Het is echter te optimistisch om te denken dat cannabis bij bovengenoemde klachten altijd werkt. Uit een vergelijkend onderzoek, waarin 79 cannabisstudies kritisch werden getoetst, blijkt dat de wetenschappelijke bewijsvoering niet altijd even sterk is. De bewijskracht voor verbetering van misselijkheid en overgeven bij chemotherapie werd zelfs als zwak geclassificeerd. Naar aanleiding van deze studie zijn diverse zorgverzekeraars gestopt met het vergoeden van medicinale cannabis vanuit de basisverzekering.
Op dit moment is er onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat cannabis(olie) kanker geneest. In de jaren zeventig namen wetenschappers voor het eerst het antikankereffect van cannabis onder de loep. Sindsdien zijn er honderden wetenschappelijke artikelen over het onderwerp verschenen. Hieruit komen aanwijzingen naar voren dat cannabis kankercellen kan doden, afremmen en beletten om uit te zaaien. Ook blijkt cannabis invloed uit te oefenen op het afweersysteem, al zijn de resultaten op dit punt tegenstrijdig. Sommige studies laten een positief effect zien, andere een negatief.
Het lijdt geen enkele twijfel dat cannabis effect heeft op kankercellen. De claim dat cannabis kanker geneest, is echter ongegrond. Er is namelijk amper onderzoek bij patiënten gedaan.’
[Antwoord m.m.v. KWF Kankerbestrijding]
In het Radboudumc bieden wij over het algemeen geen roesje aan bij beenmergonderzoek. Wij realiseren ons dat het onderzoek voor patiënten belastend is en veel patiënten zullen dit onderzoek regelmatig moeten ondergaan. Om het voor de patiënten toch zo goed mogelijk te laten verlopen, hebben wij een aantal afspraken gemaakt. De belangrijkste zijn:
het onderzoek wordt alleen uitgevoerd door professionals met veel ervaring;
tijdens het onderzoek is er voor de patiënt ondersteuning van een ervaren verpleegkundige;
als de patiënt dat op prijs stelt, mag er een naaste aanwezig zijn tijdens het onderzoek.
Slechte ervaringen
Regelmatig zien wij patiënten die angstig zijn door slechte ervaringen. Wij hebben ondervonden dat duidelijke informatie over onze werkwijze de patiënt vertrouwen geeft en geruststelt, waardoor de vraag voor een roesje overbodig wordt.
Blijft de vraag bestaan, dan heeft het onze voorkeur midazolam in tabletvorm voor te schrijven. Dit middel verlaagt het bewustzijn en vermindert angst en stress. Bijkomend voordeel is dat de herinnering achteraf minder is.
Sedatie
Soms heeft de patiënt zo’n vervelende ervaring opgedaan, dat hij zeer angstig blijft en het onderzoek niet ziet zitten. Als bovenstaande methodes daardoor niet werken, is er de mogelijkheid tot sedatie. De patiënt krijgt middelen via een infuus toegediend, is slapend en moet bewaakt worden. Deze procedure is alleen mogelijk met een physician assistant anesthesie, geschoold om deze risicovolle procedure veilig te laten verlopen. De patiënt moet vooraf beoordeeld worden om een goede inschatting van de risico’s te maken. Elke vorm van anesthesie brengt risico’s met zich mee, bijvoorbeeld voor de ademhaling en de bloeddruk. Als het niet strikt noodzakelijk is die risico’s te lopen, proberen we ze te vermijden. Onze inzet is erop gericht de vraag naar roesjes zo klein mogelijk te houden door kritisch te blijven kijken naar ons eigen handelen, hematologen in opleiding goed te scholen, beenmergonderzoek niet te laten uitvoeren door professionals die dit in de praktijk zelden doen, en waar mogelijk het verzoek van de patiënt voor beenmergonderzoek door een specifieke medewerker te honoreren.
Antwoord m.m.v. Manita Bremmers, physician assistant en Michel Schaap, hematoloog, Radboudumc
Wat de Nederlandse Transplantatie Stichting betreft is het niet wenselijk dat patiënten met een hematologische ziekte zich actief afmelden als donor. De belangrijkste reden is dat mogelijk in de toekomst de inzichten met betrekking tot contra-indicaties voor orgaan- en weefseldonatie veranderen. Mensen die voorheen niet konden doneren, kunnen bij overlijden dan uiteindelijk toch wel doneren. Daarnaast streven we als Nederlandse Transplantatie Stichting naar een zo groot mogelijke registratie van de bevolking in het donorregister. Een uitschrijving uit het register of het omzetten van een ‘Ja-‘ in een ‘Nee’-registratie zou een vertekend beeld geven.
Antwoord m.m.v. de stafartsen van de Nederlandse Transplantatie Stichting
Timo van Blooijs maakte als afstudeerproject aan de HKU (Hogeschool voor de Kunsten Utrecht) een prachtige en illustratieve animatie over CAR-T-celtherapie. Hij deed dat in samenwerking met Hematon en met hulp van de hematologen van het Amsterdam UMC.
Bij CAR-T-cel-therapie worden de killer T-cellen van de patiënt met behulp van DNA-technieken ’tumorspecifiek’ gemaakt. Na toediening aan de patiënt gaan de CAR-T-cellen op zoek naar de tumorcellen. Na herkenning en binding wordt de ‘killing’-machinerie van de T-cel geactiveerd en worden de tumorcellen gedood. Het is een ingewikkelde, tijdrovende en dure procedure om CAR-T-cellen te maken. Eerst moet de patiënt een leukaferese ondergaan, net zoals voor het verzamelen van stamcellen bij een transplantatie. Vervolgens wordt met DNA-technieken in de T-cellen van het leukaferesemateriaal het ‘herkennende’ tumorspecifieke eiwit ingebracht, waarna dit op de oppervlakte van de T-cel terechtkomt: een proces van enkele weken dat alleen in gespecialiseerde laboratoria mag plaatsvinden.
De meeste ervaring en grootste successen zijn behaald bij non-hodgkin en acute lymfatische leukemie (ALL) met zogenaamde CD19 CAR’s. Dit komt vooral omdat het tumorspecifieke eiwit CD19 alleen aanwezig is op de lymfoom- en ALL-cellen, en ook op normale B-cellen, maar niet op andere weefselcellen. Hierdoor worden de organen van de patiënt niet door de CD19 CAR-T-cellen aangevallen.
Hoewel indrukwekkende resultaten zijn behaald bij uitbehandelde patiënten is ook een aantal patiënten overleden door de bijwerkingen. Bijwerkingen die vooral ontstaan als er direct na de toediening heel veel tumorcellen tegelijkertijd worden afgebroken met als gevolg heftige en ongewenste immuunreacties.
Inmiddels wordt CAR-T-celtherapie op beperkte schaal bij multipelmyeloompatiënten toegepast en de eerste resultaten laten bij een deel van de (uitbehandelde) patiënten een positief effect zien. Probleem bij multipel myeloom is dat een sterk op de oppervlakte voorkomend tumorspecifiek eiwit, zoals CD19 bij het lymfoom, bij myeloom ontbreekt of dat deze eiwitten ook aanwezig zijn op andere weefselcellen. Hierdoor is er volop onderzoek gaande om CAR-T-celtherapie effectiever en ook veilig te maken voor myeloom. In Nederland wordt een eerste CAR-T-celstudie bij myeloom voorbereid en hopelijk zal deze in 2017 nog van start gaan.
Hematon krijgt regelmatig de vraag: ‘wat is het beste ziekenhuis of wie is de beste dokter voor de behandeling van mijn ziekte’? Op die vraag is geen algemeen antwoord mogelijk. Het hangt af van je ziekte en de ernst daarvan. En van je eigen voorkeuren: wat vind je belangrijk bij de behandeling?
Hematon heeft wel een aantal vragen, die je aan je hematoloog kunt stellen. Die vragen zeggen iets over de kwaliteit van de behandeling. Hoe meer vragen met ‘ja’ beantwoord worden, hoe beter het ziekenhuis voldoet aan de kwaliteitsstandaarden.
Vragen die je kunt stellen
Is de diagnostiek en behandeling volgens een richtlijn? Zo ja, welke en zo nee, waarom niet. Zo’n richtlijn wordt opgesteld door de wetenschappelijke vereniging van hematologen. Samen beslissen ze wat de beste manier van behandelen is. Word je volgens zo’n richtlijn behandeld, dan weet je zeker dat jouw behandeling door alle hematologen op dit moment als de beste wordt beschouwd. In sommige bijzondere gevallen wijkt de hematoloog af van de richtlijn. Dat is geen probleem, als hij met goede argumenten kan uitleggen waarom hij dat doet.
Ben ik besproken in een multidisciplinair overleg? Een multidisciplinair overleg is een bespreking tussen meerdere disciplines die bij de behandeling betrokken zijn, bijvoorbeeld de hematoloog, radiotherapeut, chirurg, patholoog en verpleegkundig specialist. Het is belangrijk voor de afstemming binnen de behandeling.
Kan ik behandeld worden binnen een trial? Een trial is een wetenschappelijk onderzoek. Vaak worden daarbij twee behandelmethoden met elkaar vergeleken. De onderzoekers kijken dan bijvoorbeeld naar het effect en de bijwerkingen van de behandeling. Het voordeel van meedoen aan een trial is dat je behandeld wordt volgens de laatste inzichten en naar een strak protocol. Bovendien word je binnen een trial extra zorgvuldig gevolgd en begeleid.
Is mijn behandelend arts een hematoloog? Een hematoloog is een internist die zich nog verder gespecialiseerd heeft, namelijk in bloedziekten. Sommige kleinere ziekenhuizen hebben geen hematoloog in dienst. Je wordt dan behandeld door de internist. De internist heeft minder specifieke kennis over bloedziekten.
Behandelt deze arts deze ziekte regelmatig? Hoe vaker je arts jouw ziekte behandelt, hoe groter zijn kennis en ervaring zullen zijn. Dat heeft effect op de kwaliteit van de behandeling.
Wordt bij de minste twijfel over de diagnose een tweede beoordeling van mijn bloed, beenmerg of biopt gevraagd aan een gespecialiseerd patholoog? Binnen diagnoses van bloed- of lymfklierkanker bestaan nog allerlei varianten van de ziektes. Vaak bepaalt de variant mede welke behandeling het meest geschikt is. Het is daarom belangrijk dat jouw bloed, beenmerg of biopt door een gespecialiseerde patholoog beoordeeld wordt om de meest gedetailleerde diagnose te stellen.
Word ik doorverwezen naar een universitair medisch centrum als de behandeling niet loopt zoals verwacht of gewenst is? In de Nederlandse zorg hebben de universitair medische centra (umc’s) een bijzondere rol. Patiënten bij wie niet precies duidelijk is wat er aan de hand is, die complexe zorg nodig hebben, voor wie de zorg nog in ontwikkeling is of die een zeldzame aandoening hebben, worden verwezen naar een umc. Daar werken superspecialisten met de meest gespecialiseerde, uitgebreide en actuele kennis van jouw ziekte.
Vergelijkingssites
Er bestaan ook sites waarbij de kwaliteit van ziekenhuizen en zorgverleners vergeleken wordt. Het gaat daarbij niet (altijd) om de kwaliteit op het gebied van hematologische zorg. Enkele bekende zijn:
Onafhankelijke vergelijkingssite, eigendom van Achmea, onder meer over de gezondheidszorg. Op basis van beoordelingen van patiënten. Van de individuele zorgverleners worden alleen tandartsen, fysiotherapeuten en huisartsen beoordeeld, geen medisch specialisten. Wel ziekenhuizen tot op grofweg afdelingsniveau (maar ‘leukemie’ valt bijvoorbeeld onder ‘oncologie’).
Website van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, waar ziekenhuizen jaarlijks hun belangrijkste kwaliteitsinformatie publiceren. Informatie over de algemene kwaliteit en de behandelresultaten van een aantal aandoeningen. Hematologische aandoeningen staan daar nog niet bij.
Kalium is een belangrijk mineraal voor het lichaam. Samen met chloride en natrium is kalium betrokken bij het regelen van de vochtbalans en bloeddruk in ons lichaam. Natrium werkt bloeddrukverhogend, kalium is de tegenhanger van natrium en zorgt ervoor dat de bloeddruk niet te hoog wordt. Natrium en kalium hebben ook een belangrijke functie bij de geleiding van zenuwprikkels en het kunnen samentrekken van spieren.
Te weinig kalium
Een kaliumtekort kan ontstaan na hevig braken, ernstige diarree, langere tijd te weinig eten en door het gebruik van plaspillen. Bij de behandeling van een hematologische aandoening kunnen al deze oorzaken van een kaliumtekort optreden en is de kans op een kaliumtekort reëel. Een kaliumtekort is vaak moeilijk te herkennen, omdat de klachten die optreden algemene klachten zijn die door de behandeling kunnen ontstaan. Denk hierbij aan een verminderde eetlust, verzwakte spieren, misselijkheid, lusteloosheid en soms hartritmestoornissen.
Aanvullen via de voeding
Een kaliumtekort is in de meeste gevallen goed te verhelpen door te kiezen voor een kaliumrijke voeding. Kalium komt in bijna alle voedingsmiddelen voor. Het zit vooral in groente, fruit, aardappelen, vlees, vis, noten en ook in melkproducten en brood. Kook groente en aardappelen niet te lang, het kalium komt dan in het kookvocht terecht. Het kaliumgehalte in de diverse groente en fruit wisselt sterk. Omdat ook andere vitamines en mineralen per soort sterk wisselen, is het belangrijk om gevarieerd te blijven eten. Zo worden ook tekorten aan andere mineralen en vitamines voorkomen. Rijst en pasta bevatten in tegenstelling tot aardappelen vrijwel geen kalium.
Is medicatie nodig?
Extra kalium nemen in de vorm van kaliumtabletten kan nodig zijn bij aanhoudende diarree en braken. Gebruik kaliumtabletten alleen in overleg met een arts. Een overdosis aan kalium is niet zonder risico, het kan negatieve effecten hebben op de hartfunctie. Het is vrijwel onmogelijk om via je eten of drinken te veel kalium in het lichaam te krijgen. Een teveel aan kalium wordt door de nieren uit het bloed gefilterd. Bij een slechte nierfunctie, zoals dat wel gezien wordt bij mensen met een multipel myeloom, kan het kalium in het bloed te hoog worden. Het is dan zaak om het kalium in de voeding te beperken.
Antwoord m.m.v. Ineke van Steen, diëtist oncologie/hematologie Amphia Ziekenhuis en Merel van Veen, diëtist bij het Wereld Kanker Onderzoek Fonds en medeverantwoordelijk voor Voedingenkankerinfo.nl
Dat is voor iedereen verschillend. Bij sommige mensen helpt het drinken van dranken met prik. De prik lokt oprispingen uit. Hierdoor kun je je beter voelen. Ook kan het helpen om op een ijsklontje te zuigen of een waterijsje te nemen. Je kunt kauwgom kauwen of zachte stukjes fruit nemen.
Een tekort aan vocht verergert de misselijkheid. Probeer daarom genoeg te drinken, minimaal 1,5 liter per dag. Niet te koude cola helpt soms ook tegen de misselijkheid. Mocht je gedurende langere tijd niet voldoende kunnen drinken dan kan een infuus nodig zijn.
Het kan helpen om vaker gedurende de dag kleine maaltijden te nemen. Dit kan bijvoorbeeld een cracker of beschuit zijn of een kleine portie van een gewone maaltijd. Op deze manier voorkom je een lege maag, wat kan helpen tegen de misselijkheid. Ook kun je op deze manier de misselijkheid ‘weg-eten’. Zorg dat je iets eet op de momenten gedurende de dag dat je minder misselijk bent. Als je een moment erg misselijk bent kun je beter juist niet eten of tijdelijk stoppen met eten.
Het is belangrijk om niet gedwongen te worden om te eten. Hierdoor kan het eten namelijk nog meer tegen gaan staan. Haal het eten en drinken ook weer weg als je het niet op kunt. Het is niet prettig om lang naar eten te kijken als je al misselijk bent. Hierdoor zal de misselijkheid eerder toe- dan afnemen. Een schone mond helpt ook tegen misselijk zijn. Poets je tanden of spoel je mond, een vieze smaak kan hierdoor minder worden.
Ook is het belangrijk om rechtop te zitten tijdens en na de maaltijd. Ga na de maaltijd niet direct liggen en verander niet snel van lichaamshouding. Frisse lucht en goede ventilatie, om etensluchtjes af te voeren, zijn ook belangrijk.
Bij bestraling
Eet of drink een half uur voor aanvang tot een half uur na de bestraling niet. Dit kan betekenen dat je hierdoor een maaltijd of snackmoment overslaat. Neem later op de dag, als je maag weer voedsel verdraagt, een extra maaltijd of snack.
Bij chemotherapie
Forceer het eten en drinken niet. Probeer tussen de kuren door, als de misselijkheid minder is, de schade in te halen. Probeer gedurende de dag verschillende kleine maaltijden te gebruiken.
Antwoord m.m.v diëtisten van voedingenkankerinfo.nl, onder wetenschappelijke leiding van Ellen Kampman, hoogleraar Voeding en Kanker Wageningen Universiteit, VU Amsterdam, Radboudumc
Hoewel de dosis straling per CT-scan beperkt is, bleek recent dat er bij patiënten die meer dan acht CT-scans ondergaan een verhoogde kans is op het ontwikkelen van een andere vorm van kanker. Zuinigheid in het gebruik van CT-scans is dus geboden. Alleen dan wanneer het nuttig en nodig is dient gescand te worden. In Nederland hebben we daarvoor heldere richtlijnen.
Een CT-scan is essentieel om na de diagnose het lymfoom in kaart te brengen. Dat is het stageringsonderzoek: waar zit het lymfoom wel en waar niet? Ook is het nodig om aan het einde van de behandeling het resultaat van de chemo- en/of radiotherapie te evalueren (re-stageren). Het is immers van belang om te weten of de ziekte niet meer aantoonbaar is (complete remissie) of dat het lymfoom maar ten dele heeft gereageerd op de behandeling (partiële remissie), niet of nauwelijks kleiner is geworden (stabiele ziekte) of zelfs groei vertoont (progressieve ziekte).
CT-scans – en ook PET-scans – in de jaren na succesvolle behandeling zijn niet nuttig en worden dan ook afgeraden. Mochten er onverhoopt weer tekenen van actieve ziekte komen dan openbaren deze zich immers vrijwel altijd tussen de polikliniek bezoeken in. De patiënt belt bijvoorbeeld zijn hematoloog met de mededeling ‘ik voel een klier in mijn hals…’ Het is een illusie te denken dat deze sneller zullen worden opgespoord als er om de haverklap CT-scans gemaakt worden. De enige reden om opnieuw CT-scans te maken is in geval van verdenking op het groeien of terugkomen van het lymfoom. En niet eerder.
(Antwoord m.m.v. Ton Hagenbeek, hoogleraar Hematologie, AMC)
Wat is het verschil tussen een beenmergpunctie en een beenmergbiopt?
Bij een beenmergpunctie prikt een specialist naar het beenmerg in je borstbeen of je bekken.. Vervolgens zuigt hij wat losse beenmergcellen op. Bij een biopsie wordt een stukje bot met daarin beenmerg uit het bot geboord. Daarbij blijft de structuur van het beenmerg bewaard.
Hoe lang duurt een beenmergpunctie en een beenmergbiopt?
Het hele onderzoek, inclusief voorbereiding, duurt ongeveer 10 tot 15 minuten. De verdoving werkt na een paar seconden en ook het opzuigen van het beenmerg duurt maar enkele seconden. Voor het afnemen van een biopt zijn zo’n 5 minuten nodig.
Is een beenmergpunctie pijnlijk? En de afname van een biopt?
Het onderzoek begint met het verdoven van de huid. Het aanprikken kan pijnlijk zijn. Het opzuigen van de beenmergcellen duurt maar kort en kan een vreemd gevoel geven. Soms zijn meer opzuigingen nodig om voldoende materiaal te verzamelen. Na het opzuigen is het vreemde gevoel weer weg. Het afnemen van een biopt kan een drukkend gevoel geven.
Mag ik na de beenmergpunctie meteen naar huis?
Een beenmergpunctie wordt poliklinisch gedaan. Meestal is sprake van een dagopname. Na de afname wordt de plek van de prik afgeplakt met een pleister of een gaasje. Om bloedingen te voorkomen is het belangrijk het wondje goed dicht te drukken, eventueel met behulp van een zandzakje. Voordat je naar huis gaat, wordt de prikplaats gecontroleerd.
Na de beenmergpunctie, waar moet ik op letten?
Na ongeveer dertig minuten is de verdoving uitgewerkt. Na een paar uur kan de pleister eraf. Je mag zelf autorijden. Het is verstandig om pas de volgende dag te douchen. De plek waar geprikt is, kan nog een tijdje een zeurende pijn geven of gevoelig blijven. Neem tegen de pijn, als dat nodig is, een paracetamol. Neem bij toenemende zwelling, bloeding of heftige pijn contact op met het ziekenhuis.
Wat is er voor de hematoloog of de patholoog te zien aan het beenmergaspiraat en het biopt?
De patholoog kijkt of er beenvormende cellen/ bloedcellen voorkomen die er vreemd uitzien, die bijvoorbeeld een ongewone vorm hebben. De patholoog let er ook op of de ontwikkeling van de verschillende typen jonge bloedcellen goed verloopt en of de aantallen kloppen. Er kan daarna nog een onderzoek komen naar afwijkingen van het erfelijk materiaal in de beenmergcellen.