Beeld: FreePik

Wat is allogene stamceltransplantatie

Het belangrijkste doel van een allogene stamceltransplantatie is om het eigen zieke afweersysteem te vervangen door het gezonde afweersysteem van een donor. Dit gebeurt bij mensen die lijden aan een kwaadaardige of niet-kwaadaardige bloedziekte of aan een ziekte van het afweersysteem. De behandeling is altijd gericht op genezing van de onderliggende ziekte.

Door een voorbehandeling met chemotherapie (conditionering) worden je eigen afweercellen en de kankercellen gedood en komt er in het beenmerg ruimte voor de donorstamcellen. Deze donorcellen groeien uit tot drie groepen volwassen cellen: rode bloedcellen, die verantwoordelijk zijn voor het zuurstoftransport door het lichaam, bloedplaatjes, verantwoordelijk voor de bloedstolling en witte bloedcellen, belangrijk onderdeel van het afweersysteem.

Bij kwaadaardige ziekten wordt niet alleen het afweersysteem vervangen door dat van een donor, maar ruimt het nieuwe afweersysteem ook kankercellen op, die na de chemo achtergebleven zijn.

Bloed- en lymfeklierkankers die behandeld kunnen worden met een donor-stamceltransplantatie zijn:

Niet-kwaadaardig:

Allogene stamceltransplantaties kunnen ingedeeld worden naar afkomst van de donorcellen of naar de intensiteit van de voorbehandeling.

Bekijk hieronder korte video: Wat is een allogene stamceltransplantatie?

Risico’s bij allogene stamceltransplantatie

Na een allogene stamceltransplantatie kunnen problemen optreden. De belangrijkste complicaties zijn omgekeerde afstoting, bijwerkingen van medicijnen, infecties, terugkeer van de ziekte en afstoting.

Infecties

In de eerste periode na de stamceltransplantatie werkt het nieuwe afweersysteem nog niet optimaal. Dit komt omdat het afweersysteem nog niet rijp is. Je eerder opgebouwde afweer tegen verkoudheden en griep is verdwenen. Ook de afweer onderdrukkende medicijnen zorgen ervoor dat het afweersysteem minder goed werkt. Hierdoor ben je gevoeliger voor infecties. Sommige infecties zijn te voorkomen door het gebruik van antibiotica en antivirale middelen. Andere infecties zijn vroegtijdig op te sporen in het bloed. Er zal dus regelmatig bloedonderzoek plaatsvinden. Verder zal de arts je leefregels geven om de kans op infecties zo klein mogelijk te maken.

Een allogene stamceltransplantatie zorgt ervoor dat de vaccinaties (inentingen) die je als kind tegen kinderziektes hebt gekregen, niet meer werken. Als het afweersysteem voldoende hersteld is, krijg je dus ook opnieuw inentingen tegen kinderziektes.

Bijwerkingen van de medicijnen

Om omgekeerde afstoting te voorkomen krijgen alle patiënten zeker drie tot zes maanden lang afweeronderdrukkende medicijnen. Deze medicijnen geven vaak bijwerkingen. Het is goed om aan je behandelaar te vragen welke bijwerkingen je kunt verwachten en wat je kunt doen als deze optreden. In de periode waarin je afweer onderdrukkende medicijnen gebruikt kom je regelmatig in het ziekenhuis voor controle. Veelvoorkomende bijwerkingen zijn misselijkheid, verminderde werking van de nieren, hoge bloeddruk en hoofdpijn.

Omgekeerde afstoting

Bij een allogene stamceltransplantatie krijg je een nieuw afweersysteem. De afweercellen van je donor gaan de nog in het lichaam aanwezige, kwaadaardige leukemiecellen aanvallen en opruimen. Dit heet het graft-versus-leukemie effect. Het graft-versus-leukemie effect zorgt er dus voor dat je geneest van je ziekte.

Soms zijn de afweercellen van de donor te actief. Ze vallen dan ook gezonde cellen aan. Dit leidt tot omgekeerde afstoting. Omgekeerde afstoting wordt ook wel graft-versus-host ziekte (GVHD, graft-versus-host diease) genoemd. Een beetje omgekeerde afstoting is goed. Patiënten die een beetje omgekeerde afstoting hebben, hebben minder kans op terugkeer van de ziekte. Dit komt doordat omgekeerde afstoting en het graft-versus-leukemie effect vaak samengaan.

Er zijn twee vormen van omgekeerde afstoting: acute en chronische. De ernst van de klachten verschilt van persoon tot persoon, van mild tot agressief.

Acute omgekeerde afstoting

Acute omgekeerde afstoting ontstaat tussen tien dagen en drie maanden na de transplantatie. Deze vorm is meestal tijdelijk, maar wel heel heftig. Acute omgekeerde afstoting kan in de volgende organen ontstaan:

  • Huid: behalve jeuk kunnen er vlekken op de huid, roodheid van de huid en in ernstige gevallen vervelling of blaarvorming ontstaan
  • Maag: dit geeft misselijkheid en overgeven
  • Darmen: dit geeft waterige diarree
  • Lever: hierbij kan geelzucht ontstaan

Bij tekenen van omgekeerde afstoting is het belangrijk direct het ziekenhuis te bellen. Je krijgt dan medicijnen om het donor-afweersysteem tijdelijk te onderdrukken.

Chronische omgekeerde afstoting

Chronische omgekeerde afstoting ontstaat vanaf twee tot drie maanden na de transplantatie. Het kan soms jaren duren of zelfs nooit meer over gaan. Het begint vaak geleidelijk. Chronische omgekeerde afstoting kan in vrijwel alle organen ontstaan. De meest voorkomende zijn:

  • Mond: een droge en gevoelige mond, slikproblemen, hoestproblemen, de slijmvliezen in de mond kunnen wit verkleuren
  • Ogen: een zanderig gevoel en soms droogheid
  • Huid: de huid kan strak en stug worden
  • Darmen: problemen met de darmen en spijsvertering
  • Longen: kortademigheid
  • Spierkrampen
  • Gewrichten: de gewrichten kunnen minder bewegen
  • Geslachtsorganen: droge, witverkleurde slijmvliezen

De behandeling van chronische omgekeerde afstoting bestaat meestal uit afweeronderdrukkende medicijnen.

Op 6 februari 2026 heeft Hematon een webinar over graft-versus-host disease gehouden. Bekijk het webinar GVHD

Afstoting van de stamcellen

Als je stamcellen krijgt van een donor, merkt het eigen afweersysteem dat deze cellen anders zijn dan je eigen cellen. Het eigen afweersysteem zal daarom proberen deze vreemde donorstamcellen op te ruimen (af te stoten). Om dit te voorkomen krijg je voorafgaand aan de toediening chemotherapie, bestraling en/of afweer onderdrukkende middelen. In zeer zeldzame gevallen kan het voorkomen dat de nieuwe stamcellen toch afgestoten worden. Je ziet dan dat de bloedaanmaak na de transplantatie niet op gang komt.

De stamcellen werken onvoldoende

Soms komt de bloedaanmaak wel op gang, maar blijven de bloedwaarden te laag. Het transplantaat functioneert dan onvoldoende. Soms is de oplossing het toedienen van groeifactoren. In andere gevallen wordt aan de donor gevraagd nog een keer stamcellen te doneren (stamcel boost). Chemotherapie of bestraling is dan niet opnieuw nodig.

Terugkeer van de ziekte

Het doel van een stamceltransplantatie is het genezen van de ziekte. Helaas lukt het niet om iedereen te genezen. Bij een deel van de patiënten komt de ziekte terug. Het risico op terugkeer van je ziekte is het grootst in het eerste en tweede jaar na de transplantatie.

Als de ziekte terugkomt, zijn er soms nog andere behandelingen mogelijk. Toch overlijdt gemiddeld ongeveer de helft van de mensen die een allogene stamceltransplantatie hebben ondergaan, binnen vier jaar. De kans op overlijden is sterk afhankelijk van je conditie en de onderliggende ziekte.

Donors van stamcellen

Bij allogene stamceltransplantatie zijn de stamcellen afkomstig van een donor. Donor worden voor een familielid is niet altijd vanzelfsprekend. Het kan fijn zijn om iets te kunnen doen voor je ernstig zieke familielid, en misschien zelfs een leven te redden. Maar het kan ook verwarrend zijn en emotioneel, bijvoorbeeld door een moeilijke of verbroken relatie met je familielid. Spreek je gevoelens of twijfel zo vroeg mogelijk in het traject uit, voor je toestemming geeft voor donatie. Ook als familiedonor heb je een keuze! De transplantatiecoördinator in het ziekenhuis heeft begrip voor je en kan informatie geven en helpen bij de besluitvorming. Uiteraard gebeurt dit vertrouwelijk.

Wie kan donor zijn

Stamcellen kunnen afkomstig zijn van familie of van een anonieme donor.

Bekijk het webinar Het zoeken en vinden van een donor op 22 september 2023

Donor zijn als broer of zus

Donatie van stamcellen voor een broer of zus is mogelijk en kan soms al op zeer jonge leeftijd. Is de donor minderjarig, moeten de ouders toestemming geven. Daarnaast moet, ter bescherming van het kind, een familierechter ieder verzoek voor donatie goedkeuren. Dit regelt de transplantatiecoördinator van het ziekenhuis. Kinderen mogen alleen beenmerg doneren aan een broer of zus, niet aan anderen. Dit is in Europees verband wettelijk vastgelegd.

In het ziekenhuis worden de jonge donoren begeleid door een pedagogisch medewerker of een lid van het psychosociaal team.

Donor zijn als ouder

Stamcellen doneren aan je kind is ingrijpend. Je bent ouder en donor tegelijkertijd, moet beslissen over je kind en over jezelf. Daarnaast ben je ook nog partner, misschien ouder van andere kinderen en heb je misschien zelf nog bezorgde ouders. Dat is emotioneel en belastend. Bespreek je gevoelens en twijfels met arts, huisarts of transplantatiecoördinator, of een vrijwilliger van Hematon.

Anonieme donor

Donor worden is een vrijwillige keuze – misschien was je al bloeddonor en heb je je ook aangemeld als stamceldonor. Of misschien ken je iemand die een stamceltransplantatie moest ondergaan. In Nederland is Matchis het centrum voor stamceldonoren.

Afkomst van donorcellen

Hieronder gaan we in op de verschillende soorten donorstamcellen.

Verwante identieke donortransplantatie

Een transplantatie met een verwante identieke donor geeft de beste resultaten. Helaas is bij slechts dertig procent van de patiënten een verwante identieke donor beschikbaar.

Wat is een verwante identieke donor? Dat is een donor die is verwant, dat wil zeggen een familielid. En een donor die identieke cellen heeft, dat wil zeggen dezelfde afweereiwitten. Tussen de patiënt en een verwante identieke donor komen tien belangrijke afweereiwitten overeen. De donor is een broer of zus. De tien eiwitten hebben patiënt en donor geërfd van hun vader (set van vijf eiwitten) en hun moeder (set van vijf eiwitten). Tussen twee directe familieleden is er gemiddeld 25 procent kans dat er een identieke donor is. Hoe meer broers en zussen, des te groter de kans dat er iemand in de familie kan doneren.

In de afbeelding hierboven zie je verwante dentieke donortransplantatie. De patient links heeft dezelfde transplantatie eiwitten als de omcirkelde broer of zus.

Verwante half-identieke donortransplantatie (haplo-identieke transplantatie)

Als er in de familie geen donor beschikbaar is die op alle tien eiwitten overeenkomt met de patiënt, is het mogelijk uit te wijken naar een familiedonor die maar voor de helft overeenkomt. Dit noemen we een verwante half-identieke donor. Het wordt een haplo-identieke stamceltransplantatie genoemd. De kans dat deze donor in een familie wordt gevonden, is vele malen groter. Niet alleen broers en zussen maar ook ouders, kinderen en soms zelfs neven en nichten maken kans om een geschikte donor te zijn.

Niet-verwante donortransplantatie

Als er in de familie geen donor beschikbaar is die op alle tien eiwitten overeenkomt met de patiënt, kan er worden uitgeweken naar de donorbank. In Nederland is Matchis het centrum voor stamceldonoren.
Wereldwijd hebben zich nu meer dan 41 miljoen mensen geregistreerd. Zij zijn bereid om stamcellen te doneren als zij een match zijn met een patiënt ergens ter wereld.

Als er geen enkele donor beschikbaar is, kan er nog worden gezocht in navelstrengbloed. Ook navelstrengen zijn vrijwillig gedoneerd. In de navelstreng bevinden zich stamcellen die in het lichaam kunnen uitgroeien tot volwassen cellen. Stamcellen uit navelstrengbloed zijn ook bij een minder nauwkeurige match geschikt als donorstamcellen. Dat komt waarschijnlijk, doordat deze zeer jonge stamcellen nog nauwelijks specifieke afweereigenschappen ontwikkeld hebben en daardoor minder omgekeerde afstoting veroorzaken.

Het verloop

De eerste stap in het proces van stamceldonatie is de weefseltypering. Om vast te stellen of je een verwante identieke of verwante niet-identieke donor kunt zijn, wordt een buisje bloed afgenomen. De uitslag is na zeven tot tien dagen bekend en wordt eerst met jou gedeeld. Je kunt nog van de donatie afzien. Dan krijgt de patiënt de mededeling dat er geen donor is gevonden.

Ben je een match en wil je doorgaan met het proces, dan volgt de donorkeuring. Het is belangrijk dat je zelf helemaal gezond bent. Dit is belangrijk om te voorkomen dat je als donor last krijgt van complicaties van de donatie. Ook wordt zo voorkomen dat de ontvanger via jouw stamcellen een ziekte krijgt die met bloed overdraagbaar is.

Als je helemaal gezond bent, volgt de voorbereiding op de donatie. Om zoveel mogelijk stamcellen te kunnen verzamelen (‘oogsten’) krijg je gedurende een aantal dagen de groeifactor G-CSF toegediend via een onderhuidse injectie. Dat kan in principe gewoon thuis.

Psychische gevolgen

Er is steeds meer begrip en aandacht voor het welzijn van de familiedonor. Heb je na de donatie last van stress, angst of somberheid, bespreek die met de transplantatiecoördinator of je huisarts. Je kunt je ook tot Hematon wenden voor een gesprek met een vrijwilliger of ervaringsgenoot. Het delen van je gevoelens kan helpen bij het verwerken van een spannende periode.

Voorbereiding op allogene stamceltransplantatie

Voordat een allogene stamceltransplantatie kan plaatsvinden, krijg je als patiënt enkele voorbereidende onderzoeken. De voorbereiding neemt meestal vier tot zes weken in beslag. Dit is afhankelijk van je ziekte.

Lichamelijk onderzoek

Een allogene stamceltransplantatie is een zware behandeling. Voordat je die kan ondergaan moeten je behandelaars goed op de hoogte zijn van je conditie. Ook moeten eventuele lichamelijke beperkingen bekend zijn. Daarom heb je eerst een gesprek met een van je behandelaars, gevolgd door een uitgebreid lichamelijk onderzoek. Het kan gaan om bloedonderzoek, een hartfilmpje of, indien nodig, een tandheelkundig onderzoek. Soms is er ook nog een beenmergonderzoek, een longfunctieonderzoek of een hartfunctieonderzoek nodig.

Bloedonderzoek

Er zijn verschillende redenen om het bloed te onderzoeken. Door bloedonderzoek kunnen bloedwaarden gemeten worden en kan het verloop van een ziekte of het effect van een behandeling bepaald worden. Daarnaast kan bijvoorbeeld de lever- en nierfunctie bekeken worden.

Hartfilmpje (ECG)

Een hartfilmpje maken gaat snel en gemakkelijk. Je gaat op een onderzoekstafel liggen. Op je borst, benen en armen plakt de onderzoeker elektroden. Deze zijn met draden verbonden aan het ECG-apparaat. Bij een uitgebreid ECG zijn het tien elektrodes. Elk van deze elektrodes geeft een aparte registratie. De arts noemt dit een afleiding. De arts ziet zo de elektrische activiteit op tien verschillende punten van het hart. Op basis hiervan kan de arts zien hoe het hartritme is, hoe groot het hart is, of er zuurstoftekort is in het hart en of er ooit een hartinfarct is geweest.

Tandheelkundig onderzoek (focusonderzoek)

Tijdens het transplantatietraject is de afweer tegen infecties verminderd. Je mond kan een bron van infecties zijn. Daarom is het belangrijk om naar de tandarts te gaan voordat je start met de behandeling. Een tandarts onderzoekt of er problemen zijn in de mond die mogelijk tot ontstekingen kunnen leiden. Deze moeten eerst opgelost worden.

Mentale voorbereiding

Het is belangrijk dat je jezelf mentaal goed voorbereidt op een stamceltransplantatie. In de meeste ziekenhuizen wordt voor de stamceltransplantatie een medisch informatiegesprek ingepland. Een hematoloog met veel ervaring op het gebied van stamceltransplantatie bespreekt in zo’n gesprek alle facetten van de stamceltransplantatie. Het is prettig om bij zo’n gesprek een naaste mee te nemen. Praat tijdens dit gesprek en met je naasten ook over je gevoelens en waar je bang voor bent.

Beenmergonderzoek

In het beenmerg worden nieuwe bloedcellen gemaakt. Het is de fabriek van het bloed. Laboratoriumonderzoek van het beenmerg is nodig om vast te stellen of uit te sluiten dat er iets mis is met de aanmaak van het bloed. Het kan ook nodig zijn om het effect van een behandeling te bepalen. Het afnemen van beenmerg heet een beenmergpunctie.

Hoe gaat een beenmergpunctie

Beenmerg wordt afgenomen via een sternumpunctie (in het borstbeen) of een cristapunctie (in het bekken). Bij een sternumpunctie lig je op je rug en wordt er beenmerg uit het borstbeen opgezogen. Bij een cristapunctie lig je op de linker- of rechterzij en wordt er beenmerg uit de bekkenrand opgezogen. Hierbij kan ook direct een botpijpje worden weggehaald.
De plaats van de punctie wordt eerst goed verdoofd. Dat kan even pijnlijk zijn. Daarna zuigt de arts of artsassistent met een dunne naald wat beenmerg op uit het borstbeen of het bekken. Dit opzuigen duurt een paar seconden en kan een vreemd gevoel geven. Na het opzuigen is dit gevoel weer weg.
Voor het weghalen van een botpijpje gebruikt je behandelaar een andere naald, die met een draaiende beweging in het beenmerg wordt gebracht. Dit kan een drukkend gevoel geven, maar meestal doet het geen pijn.
De beenmergcellen worden vergeleken met de cellen in het bloed. Daarom wordt er bij een beenmergpunctie ook bloed afgenomen.

Na de beenmergpunctie

De plek waar geprikt is, wordt afgeplakt met een pleister en/of een gaasje. Om bloedingen te voorkomen is het is belangrijk het wondje goed dicht te drukken, eventueel met behulp van een zandzakje.
Voordat je naar huis gaat, wordt de prikplaats gecontroleerd. Na ongeveer dertig minuten is de verdoving uitgewerkt. Na een paar uur kan de pleister eraf. Je mag zelf autorijden. Het is verstandig om pas de volgende dag te douchen.
Het is mogelijk dat er op de plek waar geprikt is een zeurende pijn optreedt of dat de plek een tijdje gevoelig blijft. Zo nodig kun je hiervoor paracetamol nemen. Bij toenemende zwelling, bloeding of heftige pijn is het advies om contact op te nemen met het ziekenhuis.

Voorbereiding van de donor

Groeifactoren

Om zoveel mogelijk stamcellen te kunnen verzamelen (‘oogsten’) moet de donor zichzelf gedurende een aantal dagen de groeifactor G-CSF (Granulocyte-Colony-Stimulating Factor) toedienen via een onderhuidse injectie. Dat kan gewoon thuis. Je lichaam maakt deze stof ook zelf, maar de extra toediening stimuleert de aanmaak en de rijping van stamcellen en de verplaatsing van de stamcellen naar het bloed.

Het gebruik van groeifactoren kan bijwerkingen geven. De meest voorkomende zijn bot- en spierpijnklachten, griepachtige verschijnselen, hoofdpijn en vermoeidheid. Als je veel last hebt van deze bijwerkingen, kun je in overleg met het behandelteam paracetamol nemen. Na het stoppen met de groeifactoren verdwijnen de klachten over het algemeen snel.

Aan het einde van de periode waarin je de groeifactoren hebt geïnjecteerd, wordt bloed afgenomen om de hoeveelheid stamcellen te meten. Als er genoeg stamcellen in je bloed zitten, kunnen ze geoogst worden.

Het afnemen van de stamcellen

Het afnemen van stamcellen heet aferese. De aferese vindt plaats op de afereseafdeling van het ziekenhuis. Er wordt een slangetje (infuus) geplaatst in een ader in de elleboogplooi van allebei je armen, links en rechts dus. Als je in je arm niet goed te prikken bent, krijg je soms een speciaal infuus in de lies. Via het ene infuus wordt bloed vanuit je lichaam naar een aferesemachine gepompt. Deze machine haalt de stamcellen uit het bloed. De rest van het bloed, zonder stamcellen, gaat vanuit de aferesemachine via het infuus in de andere arm terug het lichaam in. De aferese duurt gemiddeld zes uur. Hoelang het duurt hangt af van de hoeveelheid stamcellen in het bloed en hoeveel stamcellen nodig zijn. Soms is een tweede dag aferese nodig om voldoende stamcellen te verzamelen. De stamcellen worden bewerkt en ingevroren totdat de ontvanger ze krijgt.
Een andere mogelijkheid is, dat de stamcellen niet uit het bloed, maar uit het beenmerg worden gehaald. Dat gebeurt onder narcose.

Nazorg na een allogene stamceltransplantatie

Een stamceltransplantatie is een behandeling met een lang natraject. Je komt, zeker in het begin, regelmatig op de polikliniek voor controle. Bij het ontslag krijg je leefregels mee voor onder andere voeding, hygiëne en contact met anderen. Kort na ontslag ben je nog niet de oude, het herstel gaat misschien langzamer dan je verwacht. Dat is niet ongewoon. Klachten die veel voorkomen in de eerste maanden zijn vermoeidheid, verminderde concentratie en verkoudheden.

Controles op de polikliniek

In de eerste maanden na de transplantatie is de aandacht vooral gericht op het herstel van het afweersysteem. Zolang het afweersysteem niet optimaal werkt, ben je kwetsbaar: je bent nog niet voldoende beschermd tegen met name virusinfecties. Die kunnen zich uiten als verkoudheid, maar bijvoorbeeld ook als gordelroos. Daarom blijf je in de eerste periode na de stamceltransplantatie beschermende medicijnen slikken. Bij elke controle zal je behandelaar kijken naar complicaties.

Er wordt bloedonderzoek gedaan om te controleren of de stamcellen voldoende rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes aanmaken. Soms is transfusie met rode bloedcellen of bloedplaatjes noodzakelijk.

Chronische omgekeerde afstoting

Na een allogene stamceltransplantatie kan geleidelijk aan een chronische vorm van omgekeerde afstoting ontstaan. Hiervoor krijg je eventueel afweer onderdrukkende medicijnen. Lees hierover meer bij omgekeerde afstoting.

Vermoeidheid

De meeste mensen voelen zich na een half jaar tot een jaar redelijk hersteld. De aanvankelijke vermoeidheid neemt af. Vermoeidheid kan echter ook langer aanhouden en zo een beperking vormen voor je dagelijks functioneren of het oppakken van werk. Praat erover met lotgenoten bij Hematon of je behandelteam.

Psychische gevolgen

Een stamceltransplantatie is een behandeling, die ook psychisch veel vraagt. Niet alleen van jou, maar ook van je naasten. Je kunt sneller emotioneel zijn. Sommige mensen ervaren stress, somberheid of angst.

Stress, angst en vermoeidheid kunnen leiden tot problemen met het geheugen en concentratie. Meestal zijn deze klachten tijdelijk. Het is goed om je klachten te bespreken met iemand uit je behandelteam en te overleggen of tijdelijke psychosociale hulp een optie is.

Oncologische revalidatie

Sommige ziekenhuizen hebben een speciaal team voor oncologische revalidatie, vaak onder leiding van een revalidatiearts. Daar kan een revalidatieprogramma voor je worden opgesteld, gericht op de behandeling van jouw specifieke klachten. Vraag ernaar bij je behandelteam.

Credits

De teksten over stamceltransplantatie zijn samengesteld door Hematon met medewerking van hematologen namens de NVvH.

De informatie is voor het laatst aangepast in 2022

Webinar

Webinar gehouden op 5 februari 2021